Jaap Pleij vertelt

ROOSENDAAL – Hoog gezeten op het frontmanbalkon rechts in schouwburg De Kring vroeg ik me vrijdagavond bij het zien van de muzikale theaterproductie ‘Ramses’ af hoe vaak ik de echte Ramses in levende lijve heb gezien en hoe vaak ik hem persoonlijk heb gesproken.
Het laatste had ik snel op een rijtje gezet. Mijn verbale contacten met Ramses waren beperkt tot een korte ontmoeting na een opvoering van ‘Don Quichote’ in de (oude) Nobelaer in Etten-Leur en een telefoongesprek. Nadat de Vlaamse persagent ons keurig aan elkaar had voorgesteld in zijn Etten-Leurse kleedkamer informeerde ik heel voorzichtig en voorkomend of hij wellicht even tijd en genegenheid had voor een gesprekje op de recorder. Ramses leek een moment in verwarring te zijn gebracht. Daarna keek hij me vernietigend aan en riep op zijn kenmerkende manier ‘Nee, nee en nog eens nee. Er zitten vrienden op me te wachten. Dit komt nu echt niet uit’. Daar moest ik het op dat moment mee doen. De mededeling dat zo’n gesprek mijn komende radioprogramma een niet te onderschatten meerwaarde gaf, wist hem niet te vermurwen.
In aanloop naar ‘Ramses ’97’ (tevens zijn laatste reguliere theatershow, georganiseerd door Cor Franc voor American Songbook Productions, JP) verliep het contact heel wat soepeler. Na enig speurwerk was ik in het bezit gekomen van een telefoonnummer in België, waar hij verbleef om zich mentaal op deze show waarin Ramses vocale steun kreeg van de zangeressen Manuela Kemp, Rolinha Kross en Martine Grunwald voor te bereiden. In dat gesprek was hij de vriendelijkheid zelve. Hij vertelde ronduit waarom het tijdelijk verblijf in het Vlaamse land hem zo goed beviel. “Ik hoef hier niets anders te doen dan drie maal daags te eten, op gepaste wijze voorzien van een goed glas rode wijn (in de laatste twintig jaar van zijn leven dronk hij vrijwel geen andere alcoholische dranken, JP). Rond een uur of vier komt de auto voorgereden die me naar het theater brengt. Mijn enige echte arbeid bestaat dus uit het repeteren en bijhouden van mijn teksten, wat me nog net goed af gaat”. Voorts herinner ik me dat hij vertelde het fijn te vinden om weer in een show te staan waarin hij zijn eigen liedjes kon zingen en waarin hij helemaal zichzelf kon zijn. Met Rolinha Kross en Martine Grunwald heb ik daarna een uiterst prettig contact opgebouwd. Bij elk gesprek komen we vrijwel automatisch weer op Ramses terecht. Voor beide zangeressen was het werken met een van Nederlands grootste theaterbeesten een onvergetelijke ervaring. Een blik op het hoesje van de cd ‘Ramses ‘97’, opgenomen op 23 maart 1997 tijdens de première in het Luxor Theater, Rotterdam leert me dat Lucas van Merwijk (de broer van cabaretier Jeroen, JP) in dat programma de drumstokjes hanteerde. Die is ook bepaald niet verkeerd terechtgekomen.
De keren dat ik Ramses op het podium heb zien staan waren gelukkig talrijker. De eerste keer was (waarschijnlijk) in 1972 toen Ramses samen met zijn hartsvriendin Liesbeth List de kleine zaal van De Doelen in Rotterdam volledig op zijn kop zette. Ik woonde toen nog in de Maasstad en Ramses verkeerde toen op het toppunt van zijn roem. Wat velen waarschijnlijk niet weten is dat Ramses en Shaffy in 1984 de laatste reguliere voorstelling in de oude schouwburg De Kring voor hun rekening namen. Wat ik me daarvan herinner, is dat Ramses in het rood was gekleed, wat erop duidde dat hij toen nog behoorlijk in de Bhagwan was, en dat een presentator de te zingen nummers bij het publiek inleidde. Diens naam staat me echter niet voor de geest. Enkele jaren daarvoor was Ramses in De Kring om zich als onderdeel van een tv-spelprogramma van de KRO, geproduceerd door Joop van der Ende en gepresenteerd door Frank Kramer (nu alleen nog te horen als commentator bij Eurosport, JP), te laten interviewen door een zogeheten aanstormend tv-talent, waar we echter nooit meer iets van gehoord hebben. In de jury zaten onder anderen Willebrord Frequin en Frits Barend. Ramses zag ik daarna zoals gerefereerd in ‘Don Quichotte’ waarin hij in navolging van Jacques Brel de titelrol vertolkte en in zijn laatste theatershow ‘Ramses ‘97’. Een productie die op juichende recensies werd onthaald. Koppen als ‘Ramses is terug met stijlvolle spanning en zwier’ (NRC Handelsblad), ‘De Vertrouwde teksten zijn in de loop der jaren alleen maar sterker en indringender geworden’ (Volkskrant), ‘Het vuur is nog steeds niet gedoofd bij de troubadour’ (Algemeen Dagblad), ‘Rotterdam omhelsde ontroerd een Amsterdamer, ook toen hij ‘Mama Mokum’ zong (De Telegraaf). ‘Glansrijke rentree van Ramses Shaffy’ (Trouw), laten daarover geen misverstand bestaan.
De laatste keer dat ik hem in levende lijve mocht aanschouwen, was bij het 4 mei-concert van Omionia in 2006, waarin Liesbeth List een belangrijk aandeel had. Ramses werd apart verwelkomd door de voorzitter van de gelijknamige stichting, Aad van Nes, en woonde vervolgens het gehele concert bij. Ramses werd bij binnenkomst fysiek ondersteund door een jonge vrouw, in de pauze onderhield hij zich op uiterst ontspannen wijze met het publiek en toen zag ik mijn kans schoon om nog twee plaatjes van hem te schieten. Twee foto’s die sindsdien een ereplaats hebben in mijn fotoarchief. Bij het afscheid nemen, werd duidelijk dat er waarschijnlijk geen nieuwe ontmoeting meer zou volgen. Ramses oogde vermoeid en het was duidelijk dat het levensvuur dat zo onverwacht lang in hem gebrand had, langzaam maar zeker aan het doven was. Liesbeth sprak ik voor het eerst weer drie maanden na zijn overlijden eind 2009. Ze bleek de emoties goed te hebben verwerkt, Liesbeth troostte zichzelf onder meer met de gedachte dat Ramses altijd met haar meereist. Ongetwijfeld is er wederom een ruime plek ingeruimd voor Ramses in de show waarmee de inmiddels zeventigjarige diva dit seizoen langs de theaters trekt (op 3 februari te zien in Chasse Breda). Van de drie mannen die de belangrijkste rollen in haar (muzikale) leven hebben gespeeld (de andere twee waren Jacques Brel en Frank Boeijen, JP) was de band met Ramses toch het meest innig. Een artiest, een bohémien, een troubadour die zo’n rijk leven heeft geleid laat zich niet gemakkelijk vangen in één theaterproductie.
William Spaaij deed als de jonge Ramses zijn uiterste best, maar komt vocaal en persoonlijkheid tekort om geheel te overtuigen. Ondanks dat zijn spel geregeld een tikje karikaturaal is, weet Hans Hoes de oude Ramses heel aardig te benaderen. Het nadeel van muziekproducties die aan grote namen zijn opgehangen, is dat er vrijwel nooit een acteur/zanger is te vinden die echt in de schaduw van het origineel kan staan. Dat neemt niet weg dat ‘Ramses’ met name in het tweede gedeelte regelmatig een emotionele snaar weet te raken. Het verhaal verdient alle lof. In het Sarphatihuis zit een oude man. De voordeur gaat open en daar staat zijn jongere evenbeeld met glazen en wijn. Deze jonge Ramses moet nog zingen, vechten, huilen, bidden, lachen, werken en bewonderen. De jonge en oude Ramses laten vervolgens een aantal liedjes door de zaal zwerven, liedjes die zo bepalend zijn geweest voor de levenswandel, die hem soms letterlijk in de goot bracht, van de man die tijdens zijn leven al was uitgegroeid tot een legende. Heel lang wist Ramses de drank, wilde feesten, een groot aantal turbulente relaties, geloofsovertuigingen en agressieve straatfiguren het hoofd te bieden tot die dag in december 2009 dat ook zijn heilig vuur voorgoed doofde.
Ramses (zing, vecht, huil, bid, lach, werk en bewonder) – gezien door Jaap Pleij op vrijdag 13 januari in De Kring in Roosendaal, nog te zien in deze regio op 26 januari in De Maagd in Bergen op Zoom.